Deze week is het tijd om carnaval te vieren. Wel de tijd maar niet het juiste moment. Jammer voor al die mensen die er jaarlijks naar toe leven en even een paar dagen zichzelf helemaal kunnen loslaten. Of juist wel misschien zichzelf kunnen zijn totdat op Aswoensdag de maskers weer opgezet worden voor de rest van het jaar. Hoe het ook zij, dit jaar geen volksfeest. Ik zal het niet missen want ik geef er al veertig jaar niet meer om. Maar als we dan toch vier decennia terug in de tijd kunnen dan wil ik wel weer even mijn laatste carnaval in herinnering roepen. Alaaf!!

Tijdens de carnavalsweek was het vroeger op dinsdag altijd dweilen in de Dordtse binnenstad. Van kroegje naar kroegje waar meegezongen kon worden op onvervalste carnavalskrakers als “Zak eens lekker door”, “Hele grote bloemkolen” en “Als het gras twee kontjes hoog is, falderie, faldera”. Het grote jaarlijkse festijn wat in de zuidelijke provincies met hart en ziel wordt gevierd stond in Dordrecht toch meer als een middenstandsevenement op de agenda. Stadsbestuur en kroegeigenaren zagen hun kans schoon de grijze colbertjes voor een paar dagen aan de kapstok te hangen of om in één lang weekend de maandomzet te verdubbelen. Op zoek naar vertier en wat losbandigheid deed ik als vijftienjarige jongen onder invloed van wat goede foute vrienden vrolijk mee. Met vijftien gulden op zak in de supermarkt van V&D een paar goedkope biertjes halen, tussen de middag een patatje op het statenplein en heel af en toe een pilsje in een kroeg bestellen. In die goede oude tijd werd je als puber met je eerste snorfluweel nog geen strobreed in de weg gelegd. Je hoefde geen ID te laten zien, geen bierverkoper die het interesseerde hoe jong je was en; het bier werd in èchte glazen van glas geserveerd! Kom daar nu maar eens om als er weer eens een stadsfeest aan de gang is. De vloeren en straten liggen bezaaid met kapot getrapt plastic drinkgerei. Omdat glas te gevaarlijk is bij tijden van agressie en vechtlust. Jaja, van die veel goedkopere plasticzooi waar het bier in mum van tijd tot lauwe pis is veranderd en die niet hoeft te worden afgewassen door de glazen(schuine streep)zakkenvullers achter de bar. Kijk, daar word ik agressief van. Maar goed, weer terug naar dweildinsdag anno 1981. Een rondje geven was er niet bij want dan was het budget er in één keer door. Daarbij was dan de kans om die dag dronken te worden ook verkeken. Om dat hoogste doel te behalen had ik thuis wat voorbereidingen getroffen. In een neplederen drinkzak die mijn broer of zus als souvenir uit Spanje had meegebracht had ik stiekem wat cola met rum vermengd. Dat de zak slechts ter decoratie diende werd al snel duidelijk toen de oplossende lijm voor een bijzonder bittere chemische afdronk zorgde. Als ik nu een dergelijke drinkzak zie weet ik weer waarom ik cola-rum nog altijd niet te zuipen vindt. We zwierven over de Voorstraat, de Sarisgang en het Bagijnhof. Kroegen als Da Capo, ‘t Fust en De Doedel werden in polonaise doorgehost en ondertussen lukte het dronken worden maar niet echt. Waar was ik mee bezig vraag ik me nu, 40 jaar later, af.

Het gebeurde aan het begin van de avond. We zaten aan de bar van een bruine kroeg. Naast mij zat een meisje die net iets ouder was dan mij. Ze was iets ouder maar ze gedroeg zich veel ouder. Een meisje om ongemerkt een beetje naar toe te draaien en te proberen om gezien te worden, op te vallen. Zo’n meisje. Haar oog viel op een sticker op mijn boerenkiel. Tussen alle flauwe afbeeldingen van volle bierglazen en brakende feestvierders had ik, hoe kwam ik er aan, een grote rode mond met uitstekende tong geplakt. “Hé, de Stones”, zei ze. Waarna ze vertelde dat ze gek was op hun muziek. Het mooiste nummer vond ze “Angie”. Ik kon alleen maar een beetje ja-knikken en proberen het gesprek te rekken. Vanaf dat moment zijn mijn herinneringen wat vaag geworden. Ik weet dat het onmogelijk de drank  kan zijn geweest maar er moet iets in mijn bewustzijn zijn verschoven zodat ik nu niet meer kan reconstrueren wat er wel en niet daadwerkelijk is gebeurd. Het kan zijn dat zij de barman vroeg om Angie te draaien. Dat we dus tussen alle stupide carnavalskrakers het mooie liedje van The Rolling Stones luisterden. Het kan zijn dat de jongens waar ik mee op stap was nog even bleven zitten. In ieder geval liep ik even later in een voor mij vreemd groepje mensen op de Voorstraat. Het enige wat telde was dat zij er bij was dus ik volgde. Ik weet nog dat zij onderweg een oude bekende tegenkwam. Een jongen die iets ouder dan mij was maar zich veel ouder gedroeg. Een jongen waar je een beetje van wegdraaide en hoopte dat hij je met rust liet. Zo’n jongen. Of we met de armen over elkaars schouder, om haar middel, naar de volgende tent zijn gelopen weet ik niet zeker maar ik zie het zo voor me. Daar aangekomen vormde zich een nieuwe groep. De jongen en het meisje hadden elkaar weer helemaal gevonden. Wat ik nog wel zeker weet is dat ik in een vreemde kroeg stond, zonder aandacht van haar, mijn vrienden kwijtgeraakt, mijn geld op. Wat ik ook nog weet is dat ik op dat moment besloot naar huis te gaan, het carnaval was voorbij, het vasten kon beginnen en die boerenkiel kon uit, voorgoed.

De tekst kende ik destijds al een beetje dus de kans is groot dat ik op weg naar huis Jagger in mijn oor hoorde fluisteren; “Angie, Angie, where will it lead us from here.”


1981

2 comments on “Were will it lead us…..

  1. Wat een leuke herinnering aan het carnaval zelfs als je er eigenlijk niets mee hebt is het toch een hele ervaring geweest. En die foto met die stoere jochies….Geweldig!!!!

Reageer