Hoofdstuk 9 – De top

   De wekker staat op vijf uur. Het ontbijt gaat er moeizaam in, waarna we ons tegen zessen voor de hut verzamelen. Het is nog donker buiten maar de hemel kleurt al blauw. We staan hier op een hoogte van 3200 meter en het doel is om over een uur of drie op de top van de Jebel Toubkal te staan. We wachten tot de groep compleet is. Dan geeft Hassan het sein dat we op weg gaan. Een kleine duizend hoogtemeters scheiden ons nog van de top maar niets houdt ons tegen. We gaan vandaag naar de top.

   Waarom eigenlijk? Wat er zo bijzonder is aan het beklimmen van een bergtop? Voor mijn gevoel is het een ultieme grens die je bereikt. Een berg heeft altijd een grens, een lijn die je niet over kunt steken. Hoe laag of hoog een berg ook is ergens aan het eind van elke klim bereik je de top waarna je niet verder kunt. Misschien is het te vergelijken met aan wandeling aan zee. De scheiding tussen land en water is ook een grens. Je kan niet verder en dat roept een stemming op. Soms is het melancholie en kan je verlangen naar vervlogen tijden, toen er aan de overzijde van de zee een onbekend land was. Ontdekkingsreizigers, zeevaarders en pioniers zijn ons voorgegaan om nieuwe werelddelen te ontdekken en te veroveren. Het kan ook de zucht naar avontuur ingeven en je doen besluiten om de zee of het land aan de overkant te gaan verkennen. Of het werkt stimulerend voor je verbeeldingskracht. De zee, de vrijheid, alle landen waar je naar toe kan varen. Er is zoveel te zien en te ervaren. Er zijn zoveel mensen die je kan ontmoeten. De prehistorische mens was zo creatief om een boomstam uit te hollen en de zee op te gaan. Ze gingen vissen, jagen, op ontdekkingstocht, op weg naar dat onbekende land wat zich net boven de horizon aftekende. Later deed Columbus dat nog eens dunnetjes over en werd een nieuwe tijd geboren, met een nieuwe wereld.

   Op een bergtop is het wat lastiger om de grens over te steken. Hoe machtig moet het zijn om als parapente vlieger van een top op te stijgen en over de dalen te zweven. Voor de gewone wandelaar blijft de top de ultieme grens van de berg. Maar de stemmingen van euforie, melancholie en verbeelding kunnen zich evengoed manifesteren als je zo hoog bent geklommen. Ook hier hebben de mensen in de oudheid uiting aan gegeven door niet op een top te durven komen. De goden, geesten of demonen huisden op de grote hoogtes. Later werden de toppen gemarkeerd met opgerichte stenen pilaren en weer later met houten kruizen. De mystieke toppen van de bergen hebben het geloof in hogere machten maar ook de angst voor duistere krachten gevoed. Het stapelen van stenen tot er kleine torentjes ontstaan is echter een manier om de angst te beteugelen. Het bouwen van steenmannetjes wordt al eeuwenlang gedaan en je vindt ze langs de paden en wandelroutes in de bergen. Ze wijzen de weg en geven vertrouwen. Is je kaart weggewaaid, je kompas kapot gevallen en je weet niet meer waar je bent dan kan je de steenmannetjes als richtpunt gebruiken. Als een soort spoor van broodkruimeltjes die door de Kleinduimpjes die het pad hebben verkend zijn achtergelaten.

   We gaan op pad. Het eerste kwartier lopen we door het dal omhoog waarbij we het bergbeekje oversteken. Het water zoekt zich nu, aan het einde van de zomer, rustig een weg naar beneden terwijl wij aan de voet staan van het eerste steile moreneveld. De klim begint, mijn hartslag gaat omhoog en de adem wordt korter. De groep loopt weer op korte afstand van elkaar en het tempo is in absolute zin laag. Als je echter de hoogte, het tijdstip van de dag, de losse ondergrond en de verhouding tussen afgelegde afstand en overwonnen hoogtemeters in ogenschouw zou nemen dan gaan we relatief snel. In iets minder technische bewoordingen zou je het ook kunnen omschrijven als ‘veel te fokking vroeg op dit asemafsnijdende steile klotepad’. Ik krijg een natte rug van het zweet en ik weet dat dit een slechte zaak is. Je kleding wordt nat en bij de eerste de beste pauze koelt dit af in de wind en gaat het de warmte aan je lichaam onttrekken. De kou slaat toe, je energie wordt gebruikt om je lichaam op temperatuur te houden terwijl je al die calorieën juist zo hard nodig hebt om je spieren te laten werken. De ventilatieritsen van mijn jack staan al open maar er moet meer gebeuren. Ik maak een korte stop waarbij ik mijn rugzak af doe en mijn jas uittrek. Het fleece vest wat ik draag gaat uit en verdwijnt in mijn rugzak waarna de jas weer aan gaat. Yvonne heeft zich ook in meerdere lagen aangekleed en bij haar slaat eveneens de oververhitting toe. Haar jas gaat in de rugzak waarna de misselijkheid en duizeligheid zich langzaam terugtrekken naarmate haar temperatuur zich herstelt. Tijdens de eerste pauze proberen we niet te veel af te koelen. Een paar slokken water uit onze veldflessen en een mueslireep smeren onze fysieke systemen. Zo lopen we in korte etappes steeds hoger en hoger.

   Steen. Keiharde rots. Zwart graniet. Even verderop verlopen de kleuren naar een grauw okergeel. Het uitgesleten pad kleurt licht op uit de omgeving alsof het ons de weg moet wijzen in deze woestenij van wind en steen. De keuze is eenvoudig. Volg het pad naar boven en je bereikt de grens. Volg het pad naar beneden en je komt in de bewoonde wereld. Daar vind je een hut met een bed en een tafel vol voedsel. Je vindt een dal met een dorp en een herberg vol luxe. Je vindt een laagland met een stad en een rijkdom aan mogelijkheden. Volg het pad naar beneden en je vindt een land met een prachtig volk met hun tienduizend jaar oude cultuur. Ik volg het pad naar boven en kom stap voor stap dichter bij de grens.

   Enige tijd geleden werd mij door een vriend gevraagd wat mijn mooiste herinnering aan een reis door Nepal was. Er schoot mij direct iets in gedachte. Het land was prachtig, de bergen bijna magisch, de steden en dorpjes maakten een onuitwisbare indruk. Het Boeddhisme, de tempels, de vriendelijke gastvrije mensen en het fijne gezelschap waar ik mee reisde zal ik nooit meer vergeten maar bij het antwoord op de vraag dacht ik niet aan al deze dingen. Mijn mooiste herinnering aan de reis was toen ik eenmaal thuis was en mijn foto’s aan het sorteren was. Yvonne was inmiddels aan haar eerste werkdag begonnen. Ik was alleen thuis en kwam een foto van haar tegen. Op dat moment miste ik haar. Wekenlang alles met elkaar delen en een avontuur beleven zo intensief dat je, op de dag dat je niet meer samen bent, elkaar ontzettend mist. Dat doet een reis, een avontuur, het beklimmen van een hoge bergtop, het gaan tot de grens met mij.

   Aan te komen op een top en uit te kijken over het landschap aan je voeten voedt je fantasie. Kijk daar, in de verte tussen de flarden mist en wolken liggen de Grijze Havens van Midden-Aarde. De kaart met paden, hoogtelijnen en bergtoppen in mijn broekzak kan moeiteloos vervangen worden door een landkaart uit de Kuifje albums die ik als kind ben gaan lezen. Een stippellijntje laat de route zien die de held bereist en je wilt als kind ook die stad, die haven, dat land zien. Het beeld van je wereld wordt zo gevormd en nu, jaren later, volg ik mijn eigen stippellijntje op een denkbeeldige kaart. Met je hoofd in de wolken, je haren in de wind en al je zintuigen volledig geopend, zoals Alexander Supertramp op de berghellingen in de prachtige film ‘Into the Wild’ van Sean Penn. ‘Oh, come take my hand, we’re riding out tonight to case the promised land’ zingt Springsteen in mijn hoofd, en zo voelt het ook. Geef me je hand en we ontdekken samen opnieuw de wereld. Het stippellijntje eindigt in een ronde stip, witte vlekken worden ingetekend en een nieuw uitzicht opent zich.

Hier sta ik dan op die grens tussen aarde en lucht. Het uitzicht is mooi. Er is bewolking maar ook zon. Diepe dalen en verre bergketens omringen mij. Toch ben ik niet alleen. Yvonne staat naast me en we houden elkaars hand vast. Hassan, onze geweldige gids, staat iets verderop en hij is tevreden dat iedereen veilig boven is gekomen. Hij deelt noten en dadels uit zodat men kan herstellen, wat betekent dat hij al weer bezig is met de afdaling en zijn verantwoordelijkheid om de hele groep weer heelhuids bij de hut te brengen. Johan staat op het hoogste punt en bindt een door hem uit Nepal meegebrachte slinger met gebedsvlaggetjes aan het stalen frame van de piramide. Bij elke windvlaag wapperen de vlaggetjes en zo worden de Boeddhistische gebeden, maar misschien ook wel de niet uitgesproken wensen de hemel in gestuurd. Karin is opgetogen en vrolijk zoals altijd en schenkt iedereen weer haar leuke glimlach. Op een vlakke rotsplaat zitten Ton en Jet bij te komen van alle inspanningen. Ze hebben fiets- en wandeltochten gemaakt op alle continenten van de aardbol maar deze beklimming van de Toubkal is toch ook voor hun opnieuw een overwinning. Een half jaar geleden hebben ze dezelfde trekking gemaakt alleen moesten ze die halverwege afbreken omdat Ton tijdens een val geblesseerd raakte. Na anderhalve dag met een dikke knie en veel pijn te hebben doorgelopen kwamen ze aan in Oukaïmeden, waar ze besloten uit de groep te stappen en naar huis te gaan. Nu, na een herstel van een aantal maanden en het verlangen om de trekking toch te volbrengen zijn ze zonder ongelukken of blessures op het hoogtepunt van de trekking aangekomen. Lahcen staat op een afstandje en lacht vriendelijk. Ondertussen haalt hij wat brood, kaas en tomaten uit zijn rugzak en bereidt hij een kleine lunch voor. Wilco, de grote atletische Emmenaar, maakt nog wat foto’s. Waarschijnlijk ziet hij al een mooie abstracte compositie voor zich in de vormen en kleuren die ons hier omringen zodat hij eenmaal thuisgekomen kan werken aan een nieuw doek. José heeft het knuffeltje van haar kleine neefje op een rotsblok gezet en maakt een foto van dit tafereel. Hij had gevraagd of hij met haar mee mocht maar toen hem duidelijk werd dat het niet kon vond hij het wel heel spannend om zijn knuffel mee te geven op reis. Dat beestje heeft een avontuur meegemaakt en dingen gezien die niet veel knuffels hem kunnen navertellen. Saskia is de rust zelve. Ze zwijgt en bekijkt het landschap en de mensen. Ze heeft de tijd en lijkt ondanks, of juist dankzij de pittige klim eindelijk in haar element. Esther is er vandaag niet bij. De etappes met pasovergangen boven de 3000 meter kosten haar veel inspanning. Gisteren heeft ze dan ook besloten om niet mee te gaan naar de top. Op weg naar de grens van de berg kan je ook tegen je eigen grens aan lopen. Als je dit erkent en de beslissing neemt dat je niet verder gaat getuigt dat van zelfkennis en moed. Ook al ontbreekt Esther vandaag op het hoogste punt, ze heeft net als ons de grens bereikt. En dan die lieve humoristische Nick. Hij staat wat apart van de groep en rookt een sjekkie. Een sterke vent van midden vijftig die mij zo even omhelsde en me een groot geschenk gaf in de woorden die hij zei. Een dag of vijf geleden trof hij Yvonne en mij ’s morgens vroeg aan terwijl we elkaar voor het ontbijt een snelle knuffel gaven. We dachten alleen te zijn op de gang van de herberg waar we die nacht geslapen hadden. Ze remde mij af in het voorbijlopen en omhelsde me. We genoten even kort van elkaars warmte tot Nick voorbij liep en ons toeriep ‘O, lekker effe knuffele’. Wij draaiden ons om en lachten een beetje schaapachtig. Yvon, die dit soort dingen veel beter aanvoelt zei: ‘Nou, kom er even bij dan’. Zo stonden we daar vroeg in de ochtend met ons drieën, de armen om elkaars schouders en de wangen tegen elkaar. Wat maakt dat je het ene moment nog vreemden voor elkaar bent en het volgende moment denk je elkaar zo goed te kennen dat je deze vrijheid durft te nemen. Vandaag verteld Nick me dat hij dat moment van vijf dagen geleden ontzettend fijn had gevonden. Na een rottijd met een stukgelopen relatie, eigenlijk het verliezen van de liefde van zijn leven, was het een van de momenten die hem weer een beetje opbeurden. De vermoeidheid speelt in op de emotie en brengt ons dichter bij elkaar. Er is een traan, een arm om de schouder, een warme handdruk.

   Het pad omlaag is prachtig want daar beneden ligt alles wat we tijdelijk hebben achtergelaten omdat we het pad omhoog hebben gekozen. Maar hier op deze hoogte, op de grens, zijn we niet alleen. Hier zijn we dichter bij onszelf, maar ook dichter bij elkaar.

   Het hoofd heeft ons naar de top geleid en het hart nader tot elkaar. Geen confrontatie maar eendracht.


Dagboekfragment: Zaterdag 17 september.

 

Over de helft lopen we vanuit een dalvormig moreneveld een afgrond tegemoet. Op de rand slaan we linksaf om niet in de diepte te storten en al puffend passeren we de 4000 meter grens. Dan zien we ook de top, een stalen piramidevormig frame markeert dit hoogste punt van Noord-Afrika. Het pad buigt langzaam af tot een flauwe helling zodat we redelijk op adem de top bereiken. Hier omhelzen we elkaar en er worden wat zoenen en tranen uitgewisseld. We zijn allemaal opgetogen dat we na 3,5 uur de hoogte van 4167 meter hebben bereikt. Het weer is voornamelijk bewolkt geweest en op de hellingen waaide er een koude harde wind. Maar hier op de top schijnt af en toe de zon en dan opeens vallen er een paar sneeuwvlokjes! Later, tijdens de afdaling, vallen er een paar hagelstenen en krijgen we ook nog een regenbuitje. Het lijkt wel een Nederlandse zomer.