Hoofdstuk 8 – De Berbers

   Hij vertelt over zijn land. Het land wat hij nog nooit heeft verlaten. Azeruoal Hassan. Berg- en woestijngids voor diverse reisorganisaties. Hij komt uit een klein Berberdorpje in de Hoge Atlas. De Berbergemeenschap heeft het door de jaren heen niet gemakkelijk gehad in Marokko. Ze zijn de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, maar veertien eeuwen geleden werd het gehele gebied veroverd door de Arabieren, waarbij de inheemse talen en culturen grotendeels verdwenen. Arabische koninkrijken werden gevormd en landsgrenzen getrokken en bevochten. De Berbers hielden zich staande en nu maken zij in Marokko, voor bijna de helft, deel uit van de bevolking. Toch is hun positie niet eenvoudig. Ze voelen zich achtergesteld, de voornaamste posities in de politiek en het zakenleven worden bekleed door Arabische Marokkanen, die dan ook het noorden en de grote steden bewonen. Het platteland en de bergen zijn de woongebieden van de Berbers. Hun taal is nooit officieel erkend en op scholen wordt er in slechts twee talen les geven: Arabisch en Frans. Pas de laatste jaren heeft de huidige koning Mohammed VI ervoor gepleit dat de Berbercultuur de aandacht moet krijgen die deze verdient. Er is een officieel Berberalfabet samengesteld en tegenwoordig zijn er zelfs nieuwsuitzendingen in hun oude taal. Ondanks deze recente verbeteringen zijn de Berbergemeenschappen nog altijd gesitueerd in delen van het land die economisch gezien achter lopen ten opzichte van de rest.

   Hassan heeft het geluk gehad dat hij heeft kunnen studeren en nu wil hij de bezoekers van zijn land veel leren over Marokko, het gebergte en de cultuur van de Berbers. De Engelse taal gaat hem goed af. Hij is intelligent en een beetje streng. Pas halverwege de wandelreis laat hij af en toe zijn masker zakken en laat hij enthousiasme en humor zien. Na het avondeten is er iedere avond een briefing over de tocht van de volgende dag. Hierbij worden de route en het doel van de dagtocht besproken en spreken we af hoe laat we ontbijten en vertrekken. In verband met de hitte en de felle zon vertrekken we altijd vroeg in de ochtend zodat we de eerste uren nog van de schaduw en de ochtendkoelte kunnen profiteren. Na de briefing heeft Hassan telkens een ander onderwerp voorbereid waar hij over vertelt. Aan de hand van een landkaart toont hij ons de grote steden en gebieden die Marokko rijk is. Een andere avond deelt hij kopietjes uit met afbeeldingen van dieren die in het Atlasgebergte leven. Eekhoorns, hagedissen en konijnen. Rode herten, gazelles, vossen. De lammergier, panters en de Berberleeuw. Sommige dieren leven hier nog altijd, maar de meeste exotische soorten zijn door jacht en de oprukkende mensheid verdwenen of zelfs uitgestorven. Op de vraag welke dieren Hassan in de bergen tegen is gekomen antwoord hij met een serieuze blik dat hij al de getoonde dieren nog nooit heeft gezien behalve het beestje op een van de eerste blaadjes die hij ronddeelde. De Berbermuis. We lachen wat en vragen ons af of hij dit echt meent. Na de strenge en soms stoïcijnse houding komt hij een beetje los en blijkt het spotten van de muis een van de eerste grapjes te zijn.

   Mohammed, de tienjarige zoon van de herbergier, staat op de gang en luistert. Hij helpt veel in het huis en haalt iedere dag boodschappen. Een keer per week gaat hij met de ezel over de hoge pas van Mzik naar Imlil. Daar hebben ze echt alles. Limonade, chocolade en natuurlijk alle spullen die hij voor de herberg mee moet nemen, worden daar in de manden geladen, waarna hij weer terug loopt naar zijn dorp Tizi Oussem. Hier hebben zijn opa en vader een gîte geopend voor de wandelaars die een plaatsje zoeken om te eten en te slapen. ‘s Morgens vroeg veegt hij de binnenplaats schoon en als er nieuwe bezoekers arriveren helpt hij mee met het dragen van de zware tassen en manden. Nu, na het avondeten, staat hij naast de open deur van de zitkamer. Hij heeft oma beloofd wat aardappelen te brengen maar dat kan straks ook nog want hij wil nu eerst horen wat Hassan allemaal vertelt. In de kamer zitten de nieuwe gasten rond de twee tafels. Ze zijn net klaar met eten en nu drinken ze thee terwijl hun gids vertelt over de Islam. Hij spreekt Engels maar Mohammed kan hem goed verstaan. Als een van de gasten iets vraagt vindt hij het wat moeilijker om te volgen want, ze praten met een raar accent. Mo heeft een pet op. Het is een rode pet, de kleur van zijn land. Op de klep staat een groene ster met vijf punten, net zoals op de vlag van Marokko. ‘De Islam is gebouwd op vijf zuilen,’ vertelt Hassan, ‘en alle gelovigen moeten deze naleven. Het geloof in Allah is de eerste zuil, Hij beslist over alles en de dingen vinden alleen plaats met Gods instemming.’ ‘Ja.’ denkt Mohammed en fluistert zacht ‘Inshallah.’ Als God het wil. Hij hoort Hassan verder vertellen over het bidden, het vasten, en het weggeven van een deel van je bezit aan de armen. Dat doet vader wel. Als er eten over is of een bezoeker heeft per ongeluk iets achtergelaten. Een pak met koekjes, of, zoals vorig jaar, die man die een paar sokken aan de waslijn had laten hangen. Dan geeft vader het weg aan de armen of aan Hamsa, die hier helemaal alleen in het dorp woont. Werken kan hij niet want hij is niet helemaal goed en zijn familie is dood of weg. Hamsa is veel ouder dan Mo dus hij weet niet precies wat er vroeger is gebeurd maar mama heeft verteld over de moeder van Hamsa. Ze was heel lief maar ze is gestorven bij zijn geboorte. Sinds die dag is de familie onderhouden door mensen uit het dorp en nu woont alleen Hamsa nog in het oude huisje. Opeens hoort Mo dat ze het over Mekka hebben. ‘Ja,’ denkt hij ‘op bedevaart naar Mekka.’ Hij weet niet of hij wel zijn hele leven in Allah zal blijven geloven maar ooit een keer naar Mekka dat zou hij zeker weten doen. Op reis, net als de bezoekers die hier bijna elke dag weer komen logeren. Maar dan wel op gewone schoenen en niet die grote zware laarzen waar alle buitenlanders op lopen. Het lijkt wel of ze in het leger zitten met hun petten en rugzakken, camera’s, wandelstokken en veldflessen. En ze zijn allemaal zo groot, veel groter dan zijn vader of broers en toch dragen ze allemaal een korte broek. Als ze even niet kijken moet Mo daar altijd een beetje om lachen. Die witte benen met die grote knieën en dan weer sokken met die lompe laarzen er onder. Plotseling wordt er met stoelen geschoven en komt Hassan met het dienblad naar buiten. Mo draait zich snel om en rent de trap af naar de binnenplaats. Hij pakt de zak met aardappelen uit de kelder en rent de poort uit op weg naar oma. Misschien, denkt hij, misschien krijg ik wel een flesje cola van haar.

   De Imam bidt en zingt. Normaal duurt het gebed een paar minuten maar nu is hij al een half uur te horen. De op de minaret van een moskee bevestigde speakers schetteren zijn stem krakend en knetterend door het dal. Tijdens het ontbijt legt Hassan uit dat het een boodschap is vanwege het overlijden van een dorpsgenoot. Het gebed van de Imam is vandaag een oproep aan alle mensen in de omgeving, om hen op de hoogte te brengen van het slechte nieuws. Als we even later onderweg zijn en het eerste uur over de wegen en paden van de dorpjes lopen, komen we regelmatig keurig geklede mensen tegen. Ongetwijfeld op weg naar de begrafenis die een paar honderd meter hoger aan de overzijde van het dal plaatsvindt. De weg waarlangs we wandelen loopt door het beboste dal maar door de gaten in het bladerdak hebben we af en toe uitzicht op de plechtigheid. We zien een groep mensen op de kale rotsachtige helling verzameld. Net onder de groep is een man aan het werk. Zijn houweel zwaait met grote uithalen naar de grond. In de harde rots wordt een graf gehakt. Een met wit doek beklede baar met het lichaam van de dode staat er naast en wacht. Dit is het ritueel zoals het zich volgens de Islam moet voltrekken. Als iemand overlijd moet het lichaam nog dezelfde dag begraven worden. Bij de begrafenis mogen alleen mannen aanwezig zijn terwijl de vrouwen steun geven en het verdriet delen in het huis van de getroffen familie. Wij wandelen nog wat onder de indruk het dal uit en beginnen dan aan het pad omhoog naar de Tizi Oudite. Achter ons is de Imam nog lange tijd te horen maar als we verder en hoger komen sterft het gebed langzaam uit. De in hun ouderwetse maar keurige pakken gestoken mannen en in kleurige djellaba’s geklede vrouwen komen ons nog regelmatig tegemoet. De stem van de Imam draagt blijkbaar verder dan onze Westerse oren kunnen horen.


Dagboekfragment: Zondag 11 september

 

Ik stond me vanochtend af te drogen na het wassen en tandenpoetsen toen ik werd verrast met gezang. Een aantal mensen uit de groep zongen “Lang zal die leven”. Daarna kreeg ik een slinger omgehangen en een insigne opgespeld met “Happy Birthday”. Later die ochtend heb ik nog diverse sms’jes gekregen van de kinderen en familie om me te feliciteren.

Het was opnieuw een lange dagtocht waarbij we drie passen overgestoken zijn. Het ging op en neer tot we uiteindelijk weer op 3130 meter de Tizi Ouhattar pas bereikten. Op het hoogste punt stond de kok te wachten met onze lunch. Dat is toch geweldig dat je in de “middle of nowhere”, zo hoog in de bergen, een heerlijke maaltijd krijgt. Ok, het brood is al vier dagen oud, je zit op een steen en moet uitkijken je niet te prikken aan alle verdroogde distelplanten om je heen. Een openbaar toilet is even niet in de buurt dus bij hoge nood zoek je een plaatsje achter de dichtstbijzijnde glooiing of rotspartij. Maar toch is het een heerlijk tevreden gevoel om na alle geleverde inspanning zo uit te kunnen rusten en te eten. Na een uurtje beginnen we aan de afdaling waarbij we door een herdersdorp lopen wat slechts 2 maanden per jaar bewoond is. In september is het er druk met gezinnen die ook hier weer in stenen huisjes wonen. We kletsen hier en daar wat, geven handen en zwaaien naar de nieuwsgierige mensen. Je merkt dat hier heel weinig toeristen komen want iedereen in het dorp lijkt onze kant uit te kijken. Uiteindelijk lopen we de lange glooiende weg af naar het dorp Oukaïmeden. Dit is een wintersport plaatsje (in denk de enige in heel Afrika) op zo’n 2600 meter hoogte. In de winter kan je met een paar skiliften tot op 3100 meter hoogte komen waarvandaan er een zestal pistes naar beneden lopen. In september is er natuurlijk geen sneeuw te bekennen, We slapen hier in een herberg van Club Alpin France. Er zijn twee grote slaapzalen met 2-persoons stapelbedden. Een ruime wasruimte met wel 5 douches, wastafels, etc. Ontzettend luxe als je bedenkt dat we het de laatste dagen moesten doen met soms maar 1 wasbakje met koud water, een smerig Frans toilet waarvan de deur niet voorzien was van een slot en maar zelden normaal licht. Dat kwam er in hoge nood dus op neer dat je gehurkt boven een Frans toilet zit te wiebelen. In de ene hand een zaklamp en met de andere hand probeer je de deur dicht te houden voor eventuele bezoekers, Van enige ontspanning kan je dan niet echt spreken maar goed, het is vakantie dus daar heb je dan het hele jaar hard voor gewerkt. Nu genieten we dan ook van de luxe en het goede nieuws is dat we op dit adres nog twee nachtjes blijven ook.

 

We lopen nog even het dorpje in, kopen een mooi fossiel en verbazen ons over de armoedige winkeltjes, slagerijen en souvenir verkopers.

Als we gegeten hebben gaat plotseling het licht uit en wordt er een schaal met 5 kaarsjes naar binnen gedragen waarop een stuk of 15 plakjes cake liggen. De Marokkaanse kok, helpers en gids zingen voor mijn verjaardag en feliciteren me. Natuurlijk weer erg leuk dat ze dit doen. Als we alles op hebben komen de Skip-Bo kaarten op tafel en nu spelen een paar helpers ook mee. Het wordt een dolle boel aan tafel en iedereen doet mee in het spel. Zo heb ik toch een verjaardag om nooit meer te vergeten en kan ik nu tevreden het licht uit doen.