Hoofdstuk 6 – Het wiel

   De tocht leidt door een prachtig landschap. Een land zo oud met een cultuur die welhaast even oud aanvoelt. Onzichtbaar zijn de dorpjes, de dieren en de mensen omdat ze één zijn geworden met het land. Met het oversteken van een pas horen we de overvliegende bergkauwtjes kraaien alsof ze de stroef piepende as van een wiel imiteren. Het wiel van de tijd, waar hier telkens weer een slinger aan wordt gegeven. Als ik even niet oplet stap ik op de rand van het pad en de diepte naast mij lonkt. Onder mijn schoen schuiven wat stenen weg die zich kletterend een weg naar beneden zoeken. Het wiel is in beweging en de klepperende wijzer slaat tegen de roestige spijkers die de cirkelvormige tijdschaal in taartvormige punten hebben verdeeld. De geschiedenis vermengt zich met het heden. Dan vertraagt het getik tot de laatste steen weer rust heeft gevonden en de wijzer stil blijft staan op een tijdvak van voor onze jaartelling.

   De oude steenval vanaf de hoge kam tot diep in het dal is goed te zien. Door erosie, aardbevingen en de zwaartekracht zijn grote stukken rots los gebroken en naar beneden geschoven. Eenmaal tot stilstand gekomen zijn de meesten al in stukken uiteengevallen zodat er een breed spoor van brokken, grind en gruis als een donkerrood lint langs de berghelling is ontstaan. De mens in het stenen tijdperk stapelde de brokken op elkaar en maakte van water, grind en modder een specie waar de gaten mee werden gedicht. Huizen gebouwd uit de berg. De kleur van een muur is de kleur van de rots. Centraal in het dorp is de bedding van een steile ondiepe beek. In de zomer opgedroogd en nutteloos maar na een regenbui de bron van reinheid en vertier. In het voorjaar een stroom van vruchtbaarheid en welvaart. Nu, vele eeuwen en generaties later is er eigenlijk maar heel weinig veranderd. Goed, het water in de huizen wordt via een flexibele slang naar de kranen geleid. Een accu in de hoek van de kamer zorgt voor 24 volts verlichting waarvan overigens de lampjes kapot zijn, dus blijft het ’s avonds nog altijd donker. Maar behalve een wandelpad loopt er geen weg naar het dorp en elektriciteit of een telefoonnet laat nog zeker een generatie op zich wachten. De stenen van de berg liggen nog gestapeld tot muren en de beek is nog altijd de hoofdstraat van deze nederzetting. Een dorp zoals het er duizend jaar geleden ook al uitzag. Bewoond door kleine, tanige mensen die met hard werken in de bergen en op het land volharden in hun bestaan.

   Een vrouwentaak die iedere ochtend vroeg wordt uitgevoerd. Het sierlijke sikkelvormige mes dat door vader de avond ervoor is geslepen wordt achter een ceintuur gehaakt. Wat touw waarmee de oogst bij elkaar gebonden wordt verdwijnt in de zak van een vest. En dan naar buiten op sandalen, slippers of gymschoenen. Op de hoge hellingen is het lange gras al bijna verdroogd tot hooi. Als de vrouwen na een lange klim op deze hoogte aankomen nemen zij een korte rustpauze. Daarna wordt het gras gesneden en op een grote stapel verzameld die later, als de vracht nog maar met moeite kan worden gedragen, op de rug van een van de meisjes of hun moeder wordt gehesen. Dan gaat het bergafwaarts als een lopende, rennende, zingende hooibaal, op weg naar het vee dat beneden in de stal mekkert en weet dat de ruif snel weer gevuld zal worden.

   Azib Tiferguine is een herdersdorpje aan de voet van de hoge pas Tizi Ouhattar. Het dorpje is slechts twee maanden per jaar bewoond door koeien, schapen, geiten, kippen en de herderfamilies die voor de grote kuddes zorgen. De middag dat wij er met José, Jet en Ton op bezoek gingen kregen we een lesje in gastvrijheid. Een echtpaar op leeftijd dat er met hun drie kleinkinderen een huisje heeft nodigde ons uit op de thee. Hun slaapkamer deed dienst als woonkamer. De dekens werden dubbelgeslagen zodat we konden zitten en vervolgens werd alles in het werk gesteld om het de gasten aan niets te laten ontbreken. De ketel met water ging op de gasbrander. Vanuit een groot blik verdwenen forse brokken ruwe suiker in de theepot waar het inmiddels kokende water op werd gegoten. Een paar lepels zwarte gedroogde thee erbij en dan maar schenken tot de thee op smaak is. Vanuit de moestuin werden door de kleinzoon vers geplukte muntblaadjes naar binnen gebracht die als laatste aan de thee werden toegevoegd. Ondertussen bracht de vrouw des huizes twee platte, zelfgebakken broden en een schaaltje olijfolie binnen. Zo zaten we daar dicht tegen elkaar met onze rug tegen de kale lemen muren op visite bij deze Berberfamilie. Grootvader schonk uit een hooggeheven theepot met een kletterende straal de thee in de glaasjes. Een jong katje snoepte van het brood en even was er bezoek van een jong geitje. Zodra deze echter de volle kamer met de vreemde kostgangers zag, mekkerde hij en schoot door de deur terug naar buiten. De kleinzoon en twee kleindochters kwamen er verlegen bij zitten en met gebarentaal en een paar Franse woorden voerden we een gesprek. Ondertussen was er een oude draagbare transistorradio op het gammele tafeltje gezet. Uit de krakende luidspreker klonken onverstaanbare Arabische gesprekken, afgewisseld met muziek. Er werd alles aan gedaan om het ons naar de zin te maken. Zo worden vreemden dus verwelkomd. Rijkdom gevangen in een glaasje thee en een hartelijke handdruk.

   Het kleine dier sluit zijn ogen, sterft en zakt langzaam naar de bodem van de lagune. Als het water zich onder de aantrekkingskracht van de maan terugtrekt vormt er zich een laagje slib op het karkas. Tijdens vele cycli van vloed en eb wordt het diertje langzaam begraven en door een toevallige samenloop van omstandigheden raakt het geconserveerd. Mineralen vervangen het hoornvlies, het weefsel en het kalk van zijn geraamte. Het proces van verstening is gestart en zal zich de komende miljoenen jaren voortzetten. De zeebodem is dan allang geen zeebodem meer maar is verplaatst, gekanteld en door de continentdrift op een andere plaats van de aardkorst terecht gekomen. Het gefossiliseerde overblijfsel rust daar nog altijd in steen en zand en kan gemakkelijk nog eens vijfhonderd miljoen jaar verder reizen. Dan opeens schudt de grond. Er vormt zich een scheur over zijn rugschild en dan ligt hij, na die onmetelijke tijd, in het volle licht. Een man buigt zich voorover en veegt en krast de laatste bruggen van steen die het dier met zijn aarde verbindt weg. Dan wordt het opgepakt, in een oude krant gewikkeld en een paar weken later voor wat dirhams aan een westerling verkocht. Een bijzonder fossiel. Een trilobiet. De eerste gewervelde dieren waarbij zich een extra zintuig ontwikkelde. Licht en donker kon worden onderscheiden met ogen die weer veel later evolueerden tot de spiegels van de ziel. Een belangrijke stap in de evolutie van blinde ronddrijvende amoebe naar een sterk dier wat kon zien. En nu ligt hij daar op mijn kast met spulletjes mysterieus te zijn. Er is niets in huis dat ouder is dan dit mooie fossiel.

   Het wiel stopt op onverwachte tijden. Wie geeft het een slinger en waarom is er geen logica te ontdekken in de tijdvakken die ik aan doe? Of zijn er toch verbindingen te leggen? Een beeldje uit een herinnering roept weer andere beelden en herinneringen op. In het tijdvak van de jaren zeventig zie ik mezelf als dertienjarige jongen. Op vakantie met mijn ouders in de Franse Alpen. Achter ons appartement ligt een kale groene rots. Ik ben alleen buiten en loop naar boven. Opnieuw, of misschien wel voor het eerst, op weg naar een grens. Ik weet nog dat de immense leegte en het grote landschap waarin ik me bevond mij opeens angst inboezemden. Vergelijkbaar met de beklemmende zekerheid die je als kind kan hebben dat er een heks onder je bed ligt die je, zodra je uit bed stapt, bij de enkels grijpt. Daar, in mijn eentje op de hoge rots, kon opeens vanachter ieder rotsblok een wolf of leeuw tevoorschijn springen. Ik draaide me om en haastte me het pad af naar beneden. Naar de huizen, de mensen en naar mijn ouders. Het ging me niet vlug genoeg dus begon ik te rennen. De belangrijkste les die ik die dag leerde was ‘nooit rennen op een berg’. Eenmaal in beweging ging het steeds sneller en sneller tot mijn benen het tempo niet meer konden bijhouden. Ik viel en bezeerde mijn knieën en handen. Door de val, de pijn en het besef dat ik mijzelf met mijn fantasie het grootste gevaar had bezorgd ebde mijn angst weg, waarna ik wat rustiger afdaalde tot ik weer veilig beneden was. Even later stond ik in de kamer en vertelde dat ik had gerend en was gevallen maar ik zei niets over de angst. Mama schonk een beker koude melk voor me in terwijl papa de EHBO doos uit de auto haalde en wat pleisters knipte.

   Daar gebeurt het weer. In mijn geest een beeldje van papa, wat een verbinding maakt met een recent beeld van mijn vader en de herinnering komt vanzelf.

   Afgelopen voorjaar stond ik aan het bed van mijn vader. Na een half jaar sukkelen met zijn versleten rug was hij een paar maanden geleden geopereerd en alles leek goed te gaan. Totdat hij uitgedroogd en sterk vermagerd met spoed werd opgenomen in het ziekenhuis. Vandaag ga ik bezorgd over zijn gezondheid op bezoek. Als ik de kamer binnenkom, naar zijn bed loop en mijn vader zie liggen schrik ik. Het wiel van de tijd is dit keer een grote sprong vooruit gegaan om abrupt tot stilstand te komen in deze kamer. Of nee, het draait nog. Bijna onzichtbaar beweegt het maar er lijkt heel weinig nodig om het wiel te stoppen. Verward, moe en ongelooflijk mager ligt hij daar. Slangen met zuurstof, vocht en medicijnen voeren naar zijn neus, pols en tot onder de dekens. We doen alsof alles normaal is, praten wat, kussen hem en schudden voorzichtig zijn hand als we weer naar huis gaan. We doen alsof alles normaal is maar de telefoon ligt vanaf vandaag naast mijn bed. Het wiel is blijven draaien en gelukkig weer wat sneller dan die dag in het ziekenhuis. Een tweede operatie, de zomer en de lieve zorgen van mijn moeder hebben hem goed gedaan.

   Nu, in de onvoltooid tegenwoordige tijd loop ik weer hier. De sprongen van prehistorie naar toekomst en van middeleeuwen naar vandaag zijn door de verbeelding eenvoudig te maken, maar worden langzaam verdrongen door de stappen die ik neem. De fysieke inspanning geeft mijn geest rust. De cadans van voetstappen werkt als een meditatieve oefening en neemt me mee in de flow. Het wiel raakt op de achtergrond en vervaagt. Toekomst, heden en verleden lossen in elkaar op en de tijd lijkt stil te staan in het nu.


Dagboekfragment: Zaterdag 10 september.

Onze herberg ligt midden in dit dorpje en vanaf het terras kijk je uit over het dal, de akkers en de huisjes. Jet en Ton hebben vanuit Nederland een hele stapel schriftjes en pennen meegenomen die ze in het schooltje willen weggeven. Ook hebben ze oude kleertjes en schoenen van hun kleinkinderen meegenomen die ze van plan zijn aan kinderen uit te delen. Het schooltje is dicht maar de leraar wordt opgetrommeld en hij neemt alles dankbaar in ontvangst. Dan twijfelt Jet nog even of ze de kleertjes wel uit gaat delen want er lopen zo veel kinderen rond dat ze niet elk kind iets kan geven. Als er een paar jochies in oude, vieze versleten kleren voor ons staan valt de twijfel weg en haalt ze drie plastic tassen met inhoud. De een krijgt een spijkerbroek, de ander een T-shirt of een trui. Ze heeft zelfs een paar Birkenstock slippers bij zich die haar kleinzoon niet meer pasten. De jongen die ze krijgt trekt meteen zijn kapotte gympies uit en waarschijnlijk ligt hij nu in zijn bed met een paar Birkenstockies aan zijn voeten. Het is gewoon ontroerend om te zien hoe ontzettend blij de kinderen zijn. Hun moeders komen kijken en lachen met de kinderen mee. Jet en Ton worden bijna besprongen maar gelukkig is de schoolmeester nog in de buurt die de steeds groter wordende groep tot bedaren brengt. Al snel is de voorraad op en zie je overal kinderen lopen met een kledingstuk. Ik weet nog altijd niet of er wel een hemel bestaat, maar als het zo is dan hebben Jet en Ton in ieder geval een vrijkaartje.

 

   Na de lange tocht van vandaag en de fantastische ervaring in het dorp gaan we eten, wat kletsen en slapen. In een hoek van onze gezamenlijke slaapkamer kruipt nog wat ongedierte weg zodat we maar wat dieper in onze slaapzak kruipen dan gewoonlijk en ik probeer met een dichte mond in slaap te vallen, want stel je voor!